De 7 meestgemaakte taalfouten
Een ezel stoot zich misschien niet twee keer aan dezelfde steen, mensen doen dat helaas wel. Zeker als het op taal aankomt. Gelukkig kun je leren van je fouten. Daar helpen we graag bij!


Mirjam Heerink
Contentstrateeg
Gepubliceerd op
26 Aug. 2024
Bijgewerkt op
03 Feb. 2025
Wat zijn taalfouten?
De naam zegt het al: bij taalfouten gaat het om fouten in taal. Bijvoorbeeld grammaticale fouten of woorden die verkeerd gebruikt worden. Denk aan een dt-fout of een verkeerd verwijswoord. Gaat er nog geen belletje rinkelen? šØ Geen zorgen, verderop in deze blog lees je meer over verwijswoorden.
Naast taalfouten heb je ook spel- of typfouten. Een typfout is een tikfout. Deze maak je per ongeluk tijdens het typen van een tekst. Je weet heus hoe het wĆ©l moet. Een spellingscontrole in Word of Google Docs is dan je redder in nood. š¦ø
Bij een spelfout ā je raadt het niet ā overtreed je de spellingsregels. Denk bijvoorbeeld aan het gebruik van een spatie, terwijl het woord wat je gebruikt een samenstelling is. Waar je bij een typfout weet hoe het zit, is dat bij een spelfout niet het geval. Gelukkig komt daar na het lezen van deze blog verandering in.
7 veelgemaakte taalfouten
Niet Ć©Ć©n, niet twee, niet drieā¦ We zetten 7 veelgemaakte spelfouten voor je op een rij.Ā
1. SamenstellingenĀ
In het Nederlands schrijven we twee of meer woorden die samen een nieuw woord vormen aan elkaar. Hoe langer het woord, hoe sneller we onnodige spaties gebruiken. Woorden als langetermijndoelen, socialmediakanalen en rodewijnglazen schrijf je Ć©cht aan elkaar. Tenzij je wijnglazen hebt met een rode kleur. Dan heb je rode wijnglazen. Mijn motto: zeg nee tegen een spatie of twee. Als je dat vaak genoeg tegen jezelf zegt, gaat het niet meer mis.
Heb je te maken met een klinkerbotsing? Dan moet je wel een koppelteken gebruiken, zoals bij auto-ongeluk. Over botsingen gesproken. š Wil je de leesbaarheid verhogen? Dan mag je altijd een koppelteken gebruiken.

2. Dt-foutenĀ
Dt-fouten hebben alles te maken met werkwoordspelling. Om maar meteen met de deur in huis te vallen: in de tegenwoordige tijd wordt er nooit een ādā toegevoegd achter de stam. De stam bepaal je door āenā van het werkwoord af te halen.
Geen t toevoegen aan de stam:
- Als āikā het onderwerp van de zin is: ik word of ik schrijf.
- Als het een vraagzin is met ik. Word ik? Schrijf ik?
- Als je of jij achter de persoonsvorm staat. Word jij? Schrijf jij?
Tip: vervang het werkwoord met ālopenā en spreek het hardop uit.
Voeg wƩl een t aan de stam toe als het onderwerp:
- Je of jij is en dit voor de persoonsvorm staat: jij maakt, jij schrijft
- U is: u maakt, u schrijft
- Een derde persoon is: Jordy maakt, onze collega schrijft.
Eindigt de stam al op een d? Dan voeg je alsnog een t toe. Bijvoorbeeld: jij wordt, zij rijdt, hij onthoudt.
Verleden tijd
In de verleden tijd kan er zowel ādeā als āteā aan het werkwoord worden toegevoegd. Maar twijfel je welke juist is? Dan is āt kofschip een handig ezelsbruggetje. Zit de laatste letter van de stam in āt kofschip? Dan voeg je āteā toe. Zit de laatste letter van de stam er niet in? Dan voeg je ādeā toe.
Neem het werkwoord āstoppenā als voorbeeld. De stam eindigt op een āpā. Deze komt voor in āt kofschip. Dus voeg je āteā toe en weet je zeker dat āstopteā klopt. Goed om te weten: alleen de medeklinkers van āt kofschip tellen mee.Ā
3. Beseffen, irriteren en ergerenĀ
Irriteren en beseffen zijn gĆ©Ć©n wederkerende werkwoorden. Dit betekent dat je het werkwoord niet kunt combineren met een voorzetselvoorwerp (een vast voorzetsel dat verbonden is met een werkwoord). Dat is bijvoorbeeld wel het geval bij de wederkerende werkwoorden āinstemmen metā of āontlenen aanā.
Ik besef me dat het lastig isā¦ Nee. Ik besef dat het lastig is. Zonder āmeā. En je kunt je dus niet ƔƔn iets irriteren. Iets irriteert je. Of je ergert je ƔƔn iets. Want ergeren is wel een wederkerend werkwoord. Snap jij het nog? š¤·āāļø
4. Hun als onderwerp van een zinĀ
Hun willen, hun zijnā¦ Voor eens en altijd: hun mag nooit het onderwerp van een zin zijn. Wat dan wel? Ze of zij. Ze willen, zij zijn. Hun mag wel als het het meewerkend voorwerp is van de zin en je er een voorzetsel bij kunt denken. Ik geef hun het boek. In je hoofd kun je er het woordje āaanā bij denken.
5. Het verkeerde verwijswoord
Wanneer gebruik je die of dat? Hoewel de regels simpel zijn, gaat het vaak fout. Daarom de belangrijkste twee regels nog even op een rij:
- Je verwijst met die naar een de-woord.
- Je verwijst met dat naar een het-woord.
De bank die ik wilā¦
Het boek dat daar ligtā¦
De volgende keer dat je āEen schaap met witte voetjes, die drinkt zijn melk zo zoetjesā hoort, denk je wel twee keer na voor je meezingt. š
6. Bezittelijke voornaamwoorden: jou of jouwĀ
Bezittelijke voornaamwoordenā¦ Het is misschien even geleden dat je ervan hebt gehoord. Of misschien heb je er nog nooit van gehoord. Deze woorden geven de relatie aan tussen een persoon, dier of ding en een zelfstandig naamwoord.
'Dat is jouw kop thee' en 'dit is jouw boek'. Het woord ājouwā geeft in dit geval dus een bezit aan. Gaat het niet over een bezit? Dan schrijf je jou, zonder w. Bijvoorbeeld als ik jou gisteren in de stad heb gezien. In dat geval is jou een persoonlijk voornaamwoord.Ā
7. Te veel of teveel?
Met spatie of zonder: het gaat vaak verkeerd. Gelukkig is het niet zo moeilijk als het lijkt. Te veel betekent: overdreven veel. Dat is bijvoorbeeld het geval als je schrijft: āHij heeft te veel snoepjes gegeten.ā š¬ Of in mijn geval: āIk heb te veel M&M's gegeten.ā
Tip: kun je te veel vervangen door te weinig? Dan komt er altijd een spatie.
Gaat het over een overschot? Dan schrijf je het zonder spatie. Er is bijvoorbeeld een teveel aan zonnestroom op dit moment.
